Opslagfactor

Aan de lessen zit voor- en nawerk vast, ook wel opslagfactor genoemd. In de CAO-VO (8.1.3 b) staat dat deze opslagfactor moet worden bepaald, maar daarnaast ook de omschrijving van de werkzaamheden die hier onder vallen. De opslagfactor dient onderbouwd[1] te worden in relatie tot de werkzaamheden die de leraar hiervoor moet verrichten.

© enno keurentjes

Het voor- en nawerk dient wel beperkt te worden tot het daadwerkelijk voorbereiden van lessen, het prepareren van het lokaal, het maken en corrigeren van proefwerken, tentamens, schoolonderzoeken, administratieve verwerking van leerling-gegevens en rapportvergaderingen. Andere taken zoals ouderspreekuren en open dagen moeten omschreven worden in de algemene schooltaken. Het mentoraat kan niet binnen de opslagfactor worden geplaatst, omdat dit geen directe relatie heeft met het aantal (vak)lessen. Het mentoruur daarentegen is een gewone les, inclusief de opslagfactor.




Sinds de invoering van het taakbeleid is over de opslagfactor (naast het begrip les) het meest gediscussieerd.

  • De opslagfactor is gekoppeld aan de les. Aan de les kan heel veel worden gekoppeld, maar er kan ook worden gekeken naar de essentie van de les en wat daar bij hoort. De AOb is hier voorstander van omdat anders allerlei ‘vervuilende’ zaken binnensluipen, die soms voor de ene leerkracht wel gelden maar voor een ander niet.
  • Als de school een algemene opslagfactor hanteert, kan ze eventueel ook besluiten per vak een opslagfactor te hanteren.
  • Niet bij elk vak hoeft dezelfde opslagfactor gehanteerd te worden. Tenslotte wordt niet bij elk vak dezelfde vorm van voor- en nabereiding uitgevoerd. Denk aan de verschillen tussen de vakken Nederlands en Lichamelijke opvoeding.

Een opslagfactor is een getal dat de realiteit weergeeft. De vraag dringt zich dan ook op tot hoever je moet gaan in je berekening; advies van de AOb : 1 cijfer achter de komma is nauwkeurig genoeg. Zodra je verder gaat, moet je je afvragen of je daarmee nog duidelijkheid blijft geven.

[1] Zie bijlage 2

Bijlage 2 Voorbeeldberekening opslagfactor

 

De opslagfactor dient een reële weergave te zijn van de tijdinvestering die aan de taak is verbonden. Belangrijk bij deze berekening is het gesprek op school (of locatie). Om te komen tot een reële inschatting is gerekend met een aantal veelgebruikte uitgangspunten:

  • 3-uursvak, 3 proefwerken/werkstukken per periode
  • schooljaar kent 4 periodes
  • het proefwerk wordt door docent (professional) gemaakt
  • 25 leerlingen in de klas
  • in de klas wordt met een methode gewerkt
  • er is een digitaal leerplatform (huiswerk, communicatie lln, administratie leervorderingen, cijferadministratie)

 

De berekening ziet er dan als volgt uit per lesuur van 50 minuten:

  • 8 proefwerken maken : 8 x 30 minuten = 4 uur (:3 lesuren)
  • 4 werkstuk beschrijvingen ontwerpen: 4 x 30 min = 2 uur (:3 lesuren)
  • 12 proefwerken/werkstukken nakijken: 12 x 8 minuten x 25 leerlingen = 40 uur (:3 lesuren)
  • 3 uur rapportvergadering per klas p/j (:3 lesuren)
  • administratieve verwerking 15 min per week x 38 weken= 9,5 uur (:3 lesuren)
  • voorbereiden lessen :
    • inhoudelijk 30 minuten per week, dus 19 uur per jaar (:3 lesuren)
    • klaslokaalbeheer 5 min per les per week, dus 3 uur per jaar

Overzicht per jaar per lesuur:

Proefwerken/werkstukken maken 2 uur
Proefwerken/ werkstukken nakijken 13 uur
Rapportvergaderingen 1 uur
Administratieve verwerking 3 uur
Voorbereiden lessen 9 uur
Totaal 28 uur
 
Les 50 min *38 weken= 32 uur
Voorbereiding 28 uur
Opslagfactor 28/32= 0,9

 

Op deze wijze kom je op een opslagfactor van 0,9 per lesuur van 50 minuten.